- Belung Magazine
Deze website maakt gebruik van cookies om uw surfervaring te verbeteren. Door deze site te gebruiken, gaat u akkoord met dergelijk gebruik van cookies. OK, ik snap het Meer informatie

Brandend maagzuur en idiopathische pulmonale fibrose: op zoek naar definitieve antwoorden

portret-wuyts-new.png

Het is nog steeds onduidelijk of behandelingen tegen brandend maagzuur (ook wel 'gastro-oesofageale reflux' of kortweg 'reflux' genoemd) invloed kunnen hebben op het verloop van longfibrose. “Het is nu tijd om op zoek te gaan naar harde bewijzen”, aldus Prof. dr. Wim Wuyts (UZ Leuven, België) in een redactioneel artikel in het European Respiratory Journal.

Heeft bij patiënten met idiopathische pulmonale fibrose (IPF) de behandeling van brandend maagzuur een gunstige uitwerking op hun IPF? Dat is de vraag die onderzoekers al jaren bezighoudt. Uit veel epidemiologische onderzoeken is gebleken dat de prevalentie van brandend maagzuur hoger is onder mensen met IPF en andere vormen van fibrose. Daarnaast doen gegevens uit klinisch en experimenteel onderzoek vermoeden dat als de onderste luchtwegen en longblaasjes lange tijd herhaaldelijk aan maagzuur worden blootgesteld, dit kan bijdragen tot littekenvorming in de longen. Ook suggereren onderzoeksgegevens dat bij sommige gevallen van acuut verergerende IPF, microaspiratie een rol kan spelen. Al deze bevindingen onderbouwen de stelling dat het behandelen van brandend maagzuur invloed zou kunnen hebben op het gedrag van IPF. Hierbij rijst de vraag: waarom krijgen patiënten met IPF niet meteen een behandeling tegen brandend maagzuur? 

“Het is nog niet bewezen dat een behandeling tegen brandend maagzuur echt het gewenste effect heeft”, legt Prof. dr. Wuyts uit.

Onderzoeken naar het effect van zogeheten 'antacida' hebben namelijk tegenstrijdige resultaten opgeleverd. Antacida zijn stoffen die het maagzuur neutraliseren. “Het probleem met die onderzoeken was dat ze een terugkijkend (retrospectief) karakter hadden”, verklaart Prof. dr. Wuyts. “De deelnemers waren dus niet op basis van toeval onderverdeeld (gerandomiseerd) in een groep die wel en een groep die geen antacidum zou krijgen. En ook waren de onderzoekers niet in de gelegenheid om bij de indeling van de deelnemers rekening te houden met eventuele andere aanwezige aandoeningen, wat een manier is om goed onderling vergelijkbare onderzoeksgroepen te krijgen. Alleen prospectieve, gerandomiseerde onderzoeken met een controlegroep kunnen een definitief antwoord opleveren op de vraag of antacidagebruik bij IPF-patiënten zinvol is.” Gebruik van antacida als protonpompremmers en H2-receptorantagonisten voorkomt overigens niet dat er maagzuur in de slokdarm terechtkomt. Om bij patiënten met IPF verdere aantasting van de longen door opkomend maagzuur te voorkomen, kan een antirefluxoperatie nodig zijn.

acid_reflux_visual_belung.jpg

In het nummer van het European Respiratory Journal met het artikel van Prof. dr. Wim Wuyts, staan ook interessante resultaten van een onderzoek naar antirefluxoperaties. Bij een onderzoek van Raghu en collega's bleek laparoscopische antirefluxchirurgie veilig te zijn bij een reeks van 27 IPF-patiënten die ondanks gebruik van antacida last hadden van verergerende symptomen en een achteruitgaande longfunctie. Laparoscopische chirurgie is een moderne operatietechniek die het mogelijk maakt via kleine sneetjes (incisies) te opereren. Voor zulke ingrepen wordt ook wel de naam 'kijkoperatie' gebruikt. In de postoperatieve periode had geen van de patiënten een acute exacerbatie van IPF gekregen, en in de 90 dagen na de ingreep was geen van de patiënten overleden. Ook bleek de ingreep goed te werken tegen de gastro-oesofageale reflux. Bij de onderzoeksdeelnemers leek de geforceerde vitale capaciteit (FVC) zich doorgaans wat te stabiliseren. Het verschil in het FVC-percentage ten opzichte van de voorspelde waarde tussen de periode vóór en de periode na de operatie was echter niet statistisch significant.

Hoewel dit een veelbelovend onderzoek lijkt te zijn, plaatst Prof. dr. Wuyts er toch meerdere kritische kanttekeningen bij. Een van de beperkingen van dit onderzoek is dat er geen controlegroep werd gebruikt. Daarnaast deed er slechts een zeer selecte groep patiënten aan mee, wat te zien is aan de lage leeftijd en de nog relatief goede longfunctie van de deelnemers. “Het wachten is dus nog steeds op prospectieve onderzoeken die gebruikmaken van een controlegroep en beschikken over voldoende onderscheidend vermogen. Alleen zulke onderzoeken kunnen daadwerkelijk uitwijzen of een operatieve of medicamenteuze behandeling tegen gastro-oesofageale reflux zinvol is voor patiënten met IPF”, concludeert Prof. dr. Wuyts. 

Referenties:
Wuyts W and Crestani B. Gastro-oesophageal reflux and idiopathic pulmonary fibrosis: in search of evidence. Eur Respir J 2016; 48: 623–625
Raghu G, Morrow E, Collins BF, et al. Laparoscopic anti-reflux surgery for idiopathic pulmonary fibrosis at a single


disclaimer
BE/OFE-171214a 09/2017